Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR6838

Datum uitspraak2004-12-03
Datum gepubliceerd2004-12-03
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers2200154104
Statusgepubliceerd


Indicatie

De verdachte heeft zich op 30 september 2003 schuldig gemaakt aan bedreiging van een lid van de Tweede Kamer, de heer Wilders, door op internet - een medium dat voor een ieder toegankelijk is - de bewezenverklaarde woorden te uiten aan het adres van deze politicus en daarbij diens foto te plaatsen. Blijkens de verklaring van de daartoe door de heer Wilders gemachtigde aangever heeft eerstgenoemde zich door deze woorden ernstig bedreigd gevoeld en heeft hij gevreesd voor zijn leven. Uit de verklaring van de verdachte tegenover de politie blijkt dat hij zich kon voorstellen dat de politicus zich door de op een publiek medium geplaatste tekst bedreigd voelde. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij de heer Wilders heeft bedreigd naar aanleiding van diens politieke standpunten. In een democratisch rechtssysteem moeten volksvertegenwoordigers hun werk kunnen doen. Bovendien brengt het openlijke karakter van het bewezenverklaarde feit het risico met zich dat derden worden geïnspireerd tot geweldpleging jegens politici en worden daardoor bovendien de heersende gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving versterkt.


Uitspraak

Rolnummer: 2200154104 Parketnummer: 0992595503 Datum uitspraak: 3 december 2004 VERSTEK Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 2 februari 2004 in de strafzaak tegen de verdachte: [naam] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 19 november 2004. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte terzake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: (zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt) Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering De advocaat-generaal heeft in dezen geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het tenlastegelegde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op 30 september 2003 schuldig gemaakt aan bedreiging van een lid van de Tweede Kamer, de heer Wilders, door op internet - een medium dat voor een ieder toegankelijk is - de bewezenverklaarde woorden te uiten aan het adres van deze politicus en daarbij diens foto te plaatsen. Blijkens de verklaring van de daartoe door de heer Wilders gemachtigde aangever heeft eerstgenoemde zich door deze woorden ernstig bedreigd gevoeld en heeft hij gevreesd voor zijn leven. Uit de verklaring van de verdachte tegenover de politie blijkt dat hij zich kon voorstellen dat de politicus zich door de op een publiek medium geplaatste tekst bedreigd voelde. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij de heer Wilders heeft bedreigd naar aanleiding van diens politieke standpunten. In een democratisch rechtssysteem moeten volksvertegenwoordigers hun werk kunnen doen. Bovendien brengt het openlijke karakter van het bewezenverklaarde feit het risico met zich dat derden worden geïnspireerd tot geweldpleging jegens politici en worden daardoor bovendien de heersende gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving versterkt. Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 21 september 2004, eerder is veroordeeld voor het plegen van een ander strafbaar feit, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen. Het hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt. Weliswaar heeft de verdachte een hem op 12 februari 1996 door de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage opgelegde werkstraf niet naar behoren uitgevoerd en is deze in 1997 omgezet naar gevangenisstraf, maar gelet op de ouderdom van deze zaak is het hof - anders dan de advocaat-generaal - van oordeel dat dit niet aan het opnieuw opleggen van een werkstraf in de weg staat. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens bovengenoemd uittreksel niet eerder voor een soortgelijk feit als het onderhavige is veroordeeld en dat hij ruim een week na het bewezenverklaarde feit per e-mail zijn excuses heeft aangeboden aan het slachtoffer. Gelet op de ernst van het onderhavige feit en om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst dergelijke feiten te plegen zal het hof naast deze werkstraf een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van na te melden duur. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 285 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING (bij verstek) Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 (honderdentwintig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 60 (zestig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden. Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit arrest is gewezen door mrs. Le Clercq-Meijer, Bijloos en Jalink, in bijzijn van de griffier mr. Koppelaars. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 december 2004